We zitten in de auto. Mijn vrouw en kinderen zijn met elkaar in gesprek en ik wacht geduldig voor het stoplicht. Achter sluit de rij netjes aan. Het is lekker winterweer. De jassen zijn dik, maar buiten valt de kou behoorlijk mee en de zon schijnt volop. Ik rijd een Opel. Eentje uit 1998 en daar ben ik zuinig op. Zo val ik in het gesprek van de kinderen en zo mag ik weer rijden omdat het stoplicht op groen springt.

Ik rijd van een tweebaansweg een grote kruising op en moet rechtdoor een smallere straat in. Deze weg is eigenlijk breed genoeg voor vier rijen auto’s, maar door de parkeerplaatsen aan weerszijden, blijven er twee banen over. Meteen na het oversteken is een klein smal straatje van rechts. Deze heeft voorrang. Hier zijn vaker “bijna” ongelukken gebeurt. Met die ervaring laat ik mijn snelheid afnemen.

Op dat ene moment hoor ik van achter ineens het gebrom van een auto die meer gas geeft dan kan. Net voordat ik naar links kan kijken, haalt een Audi mij van rechts in. We zitten in de straat met rechts een weg waaruit auto’s of fietsers kunnen komen die voorrang hebben. Een onoplettend persoon zou zomaar kunnen oversteken niet in de gaten hebbende dat er ineens iemand een inhaalmanoeuvre van rechts uitvoert. De Audi geeft nog meer gas bij om tussen mij en een geparkeerd auto in te kunnen voegen. De seconden tellen langzaam weg. Het leek een half uur te duren.

Het enige wat ik kon denken was: ik ga, nee ik moet hem de waarheid vertellen. Meteen rijd ik achter de Audi aan en begin te claxonneren. De wagen blijft doorrijden en ik blijf drukken, maar stoppen? Ho maar. Vanaf de kruising waar het voorval heeft plaatsgevonden is het nog geen 800 meter naar mijn huis. Ik blijf de Audi volgen. Mijn vrouw zegt dat ik het moet laten gaan. Nee dat wil ik niet. Zo iemand kan toch niet zoiets uitvoeren. We zitten met vier personen in de auto. Stel je voor dat er iets ernstiger was gebeurd.
Ineens rijd de auto de straat in waar ik woon. Net op het moment dat ik rustiger wordt stopt de auto een eindje verder dan mijn huis. De eerste stap was gezet, dus ik zou het nu maar moeten afmaken. Ik stap de auto uit en loop naar de chauffeur van de auto toe. Op dat moment stapt  er een man uit van ongeveer 1.85 meter en een omvang van ongeveer 120 kilo. Mijn moed zakte rustig in mijn schoenen. Toch bleef ik doorlopen, witheet van woede.
“Broeder waarom claxoneer je zo achter mij”
“Waarom haal je mij van rechts vriend? Waar ben je mee bezig?”
“Ik heb je niet gezien broeder”
“NIET GEZIEN?? Ik rijd pal voor je!!”
“Ik was bezig”
“Wat was je aan het doen man?”
“Ik was aan het bellen, broeder”
“AAN HET BELLEN??? JE MOET AUTORIJDEN!!”
“Waarom ben je zo boos, broeder?”
Ik wijs naar de kinderen en mijn vrouw die uit de auto zijn gestapt “Kijk daar, daarom ben ik zo boos”
“Het spijt me broeder”

Op het hoogtepunt van mijn woede was ik in staat bestuurder helemaal in elkaar te slaan. Of het wel of niet mogelijk zou kunnen zijn ging niet eens door mijn gedachten. Die persoon moest een lesje krijgen. Hoe langer de rit naar die straat duurde hoe meer ik dacht waarom gebeurt dit? En op het moment dat ik hem aansprak met woede, had ik al spijt. Mijn gesprek met deze man had effectiever kunnen zijn als ik hetzelfde had gezegd met een glimlach. Wanneer ik had gevraagd wat hem op dat moment bezig hield om mij van rechts in te halen. En wellicht had hij wel een heel goede reden voor het telefoongesprek tijdens het autorijden. Ik ben hem dankbaar dat hij zich niet in mijn woede mee heeft laten trekken en kalm bleef.

Ik zie de Audi-bestuurder nog regelmatig. We groeten elkaar en maken vaak een praatje.

Geef een reactie